Johan Creten

BESTIARIUM


Download

"Buiten gingen de ogen van de dieren van varken naar mens en van mens naar varken, dan
weer van varken naar mens; het was al onmogelijk de een van de ander te onderscheiden." 1

Voor dit intieme, tragische en ondeugende Bestiarium creëerde de Belgische beeldhouwer Johan Creten een reeks van zeventien dieren in geëmailleerde klei, die eerder werden tentoongesteld in het Musée de la Piscine in Roubaix naast een reeks bas- reliëfs in keramiek op tien mobiele panelen. In 2001 realiseerde Johan Creten C'est dans ma nature, een project om de gevels van de sociale woningbouw van de stad Aulnay- Sous-Bois te renoveren. Samen met de leerlingen van de stedelijke kunstacademie bedacht hij deze reeks van eenenzestig bas-reliëfs in steengoed, versierd met menselijke en dierlijke motieven. Voornamelijk insecten – bijen, wespen, vliegen, vlinders, libellen, sprinkhanen of kevers – vormen een expressief geheel van naturalistisch getinte beelden, een allegorie op de relaties van de mens in een wereld op drift. Van de buitenwijken van Parijs tot het noorden van Frankrijk vertelt dit werk over de verwoesting van deze voormalige industriële regio's en het sociale verval dat de neoliberale globalisering en de post-industriële markteconomie meebrachten. De zes bijbehorende, mobiele keramische stoelen geven een circusachtige houding aan degenen die erop zitten, suggererend dat wij slechts machteloze elementen zijn in een ruim en
ongrijpbaar geheel.

De titel C'est dans ma nature is ontleend aan een fabel waarin een schorpioen aan een kikker vraagt om hem over de rivier te dragen. Ook al schrikt de kikker eerst van de giftige angel, stemt hij uiteindelijk toe. Midden in de rivier geeft de schorpioen de kikker een dodelijk steek, waarop beide dieren verdrinken. Wanneer de kikker naar de reden van zijn daad vraagt, antwoordt de schorpioen: "C'est dans ma nature" ("Het ligt in mijn aard"). Deze allegorie werpt een ironische blik op de eigenschappen van de dierlijke of menselijke soort, op onbedwingbaar, giftig en schadelijk gedrag, en bevraagt wie wij als bondgenoot kunnen beschouwen en welke verrader ons daarentegen bedriegt. Het belang van dierenfabels loopt als een rode draad door de praktijk van de kunstenaar, met een bijzondere verwijzing naar de fabels van Jean de la Fontaine of die van de Indiase auteur Bidpay, auteur van de Panchatantra, een verzameling dierenverhalen en fabels in het Sanskriet uit de 6e eeuw. De valse naïviteit die de kunstenaar hier demonstreert vormt de kern van zijn werk. Maar de dierlijkheid die hij oproept is in feite een weerspiegeling van onze eigen, beknellende en menselijke conditie. Het is juist omdat deze dierlijke toestand die van ons weerspiegelt, dat veel kunstenaars en schrijvers zichzelf als zwijgzame en onhandige dieren hebben afgebeeld. Van de Kafkaëske Gregor Samsa, wiens transformatie tot kakkerlak een metafoor is voor de onderdrukking van het kapitalisme en de vervreemding van het werk, het gezin en de eigen identiteit ; tot de albatros van Baudelaire, wiens "reusachtige vleugels hem beletten te lopen" 2 , wellicht zoals de dichter zelf. Wat zouden deze beesten ons vertellen als ze konden spreken? Welke twijfels of angsten zouden ze ons toevertrouwen? 

De zeventien dieren die Johan Creten uit klei boetseerde, glazuurde en vervolgens in het vuur gooide, lijken onderworpen aan hun ongemakkelijke essentie - het zwijn is vies, de vlieg is onwelkom terwijl de slak zich traag voortsleept. Net als de hond of de pelikaan hang het hoofd van sommige beesten gebogen, teruggetrokken en onbewust van de buitenwereld. De giftige bever houdt net het hoofd boven water, de flamingo heft moeizaam zijn nek op, terwijl de egel zwarte tranen huilt omringd door zijn voedsel of uitwerpselen. De bijna menselijke vlieg ligt op haar rug met de poten omhoog, dood of slapend, tenzij ze aan het bevallen is. De thema's van dood en besmetting worden hier herhaaldelijk opgeroepen, in de vorm van vlekken en spatten weerkaatst in de kleuren van het glazuur, de bodems doordrongen door andere kleurschakeringen en reflecties. Zo besmetten de bruine eikels van de egel het felle geel van de sokkel, ontbinden de zwarte poten van de haas zich tot een regenboog op de turkooizen bodem, en schuurt het slijm van de slak zich groenig af op de paarse grond. Maar het is uiteindelijk de kwetsbaarheid van deze dieren die men het diepst raakt, precies op het moment dat zij hun zwakheden onthullen. Sommigen drijven, zoals de bever, anderen snikken, zoals de egel die zich onoverwinnelijk waant en opkrult tot een bal, stekels slechts nog maar een motief, anderen lijken uitgeput, zoals de flamingo of de hond met een kromme rug. Hun formele aanwezigheid doet ook denken aan heuvels, kliffen, grotten en stromen - alsof de vermoeidheid en nostalgie van de hele wereld hier wordt geschreven, belichaamd door de dode en wormstekige hond bedekt door algen en mos.

Men zou bijna de virtuositeit vergeten waarmee Johan Creten, verliefd op aarde en vuur, de klei boetseert en het glazuur bewerkt tot organische en levendige werken. De rijkdom van zijn reeks ligt juist in de verscheidenheid van de glazuurtinten die hij gebruikt en in hun weerkaatsing, wat elk van zijn stukken uniek en bijzonder maakt. Ondanks zijn duizelingwekkende techniek, zijn het de ziel van de dierlijke fabels en het aura van deze monumentale beesten die ons bijblijven, waar humor, melancholie en wreedheid in een uitzinnige tango in elkaar overvloeien.

— Martha Kirszenbaum, curator and writer.

1 Georges Orwell, La Ferme des Animaux, Paris: Grasset, 202, eigen vertaling.
2 Charles Baudelaire, “L’Albatros” in Les Fleurs du Mal, Paris: NRF / Poésie Gallimard, 2005, eigen vertaling.