The Wall: Peter Peri

'Night is also a sun'


Download

Een eeuw veroudert per seconde. Elke centimeter die de zon voortschrijdt, verslindt de nacht het daglicht. De beweging van de tijd is zo onmerkbaar, dat de stroming ervan ononderbroken lijkt. Omhuld door de tijd als een verzonken continent neemt de wereld dezelfde vloeibare aard aan, en schenkt deze aan haar eigen bewoners. Levende wezens verouderen haast onmerkbaar. Anorganische materie verandert haar eigenschappen onder een deken van stilte. Het weer bereidt zijn dramatische vertoningen voor door een verschuiving van krachten in een naadloze dans.

Niettemin doen zich radicale veranderingen in de wereld voor. Dingen veranderen in de loop der tijd, totdat dit niet langer dat is. Toch is de grenslijn tussen hun vormen vaak onwaarneembaar. Misschien hebben de mensen, om de angstwekkendheid van het leven in een landschap zonder onderscheid te verlichten, zeldzame momenten van duidelijkheid gesimuleerd via hun taal: het moment waarop de bliksem een boom treft, een hamer een steen verbrijzelt, een mes het vlees splijt. Ze gebruikten taal als een wig, om de grondstof van hun beleving van de wereld uit het lichaam van de tijd te snijden. Ze begonnen de eenheid van de tijd te verdelen in een oneindig aantal seconden, dagen, eeuwen, eonen. Ze begonnen lijnen te trekken.

Met de taal van ‘tijd’ wisten oermensen de stroom van verandering om te zetten in iets wat begrijpelijk, bijna beheersbaar was. Na verloop van tijd werd deze zelfs verzilverbaar. De industrie van de tijd bedekte de wereld met zo’n dikke deken van taal dat het laatkapitalisme uiteindelijk zou beweren de hele werkelijkheid te hebben gevangen in zijn voorraadkamers.

Het was een ongelooflijk saaie en dode wereld geworden, als daar niet de vloek was geweest die elke tovenaarsleerling volgt. Door afscheidingen in de tijd aan te brengen, deden mensen geen afbreuk aan zijn mysterie, maar vermenigvuldigden ze het oneindig. In elke snede tussen dit en dat moment van de tijd, in het plotselinge moment van elke verandering, openden ze een afgrond zonder naam of duur. Het ogenblik waarop iets verandert, de oneindig kleine grens tussen afzonderlijke fases of vormen, is een plaats van mysterie. Het behoort niet toe aan een van de gebieden die het verdeelt, toch kan niet worden gezegd dat het niet bestaat. Deze oneindig kleine afscheidingslijnen die door de menselijke taal zijn gemaakt, oneindig vermenigvuldigd, doorkruisen de wereld als een kaart die zo diep in een grondgebied is uitgehouwen dat zijn onderwereld tevoorschijn komt.

Deze onuitsprekelijke en vormeloze afgrond kan enkel door kleuren visueel worden gesymboliseerd. Het was goud in de Byzantijnse kerken, groen in de mystieke theologie van de islam, blauw in de Joodse mystiek. In de alchemie werd de voortgang naar dit mysterie toe gesymboliseerd door de reeks wit-zwart-geel-rood, en in de schilderijen van Peter Peri vinden we drie van deze alchemistische kleuren: zwart is de grond onder de vormen; de lijnen die deze doorkruisen zijn parelmoerwit, en in één geval is er een explosie van rood (rubedo, de laatste stap van het alchemistisch Magnum Opus) in het midden van het doek.

Toch kan de aard van de afgrond alleen worden waargenomen in de volledigheid van de hele compositie – op een plaats zonder locatie, omdat het alles omvat. Elke grenslijn herbergt in zichzelf een plaats buiten de wereld, een tijd buiten de tijd, waar alles wordt teruggebracht naar een staat zonder onderscheid. Als de tijd de grenslijn tussen de ene en de andere seconde passeert, wordt deze opnieuw ontelbaar. Als een persoon of voorwerp ophoudt het ene te zijn en het andere wordt, is deze person of dat voorwerp een ogenblik lang niets. Een niets-zijn waarin de netten van de taal oneindig zinken. Een mysterieuze entiteit die boven alle namen en onderscheiden zweeft.

Het gebaar dat bedoeld was om orde in de wereld te scheppen, bracht in werkelijkheid geen chaos, maar een orde van een hoger register. Als we goed luisteren naar de grens tussen dingen, blijkt deze een op zichzelf gerichte grap te zijn. Elk ding is gemaakt van dezelfde onzichtbare substantie als al het andere. Slechts de grenslijn van onderscheiden, die als een kam door oneindige mogelijkheden trekt, buigt ze de ene of de andere kant op. Daar vinden we de spanning van wat Epicurus het clinamen noemde, de zwenking die het universum zijn eerste beweging gaf.

Deze zwenking, die noch zo donker als de achtergrond, noch zo licht als de lijnen is, krijgt in het werk van Peri de kleurloze vorm van een kromming. Onzichtbare krommingen bezielen zijn schilderijen, injecteren beweging daar waar anders slechts een lineaire catalogisering van de ruimte zou zijn geweest. In zijn tekeningen geven krommingen zelfs nog uitdrukkelijker vorm aan de identiteit van alle figuren, zowel materieel, zoals Möbius Woman, als abstract, zoals de wezens die door Lunar Sister en Antigrav zwermen. Hoewel de kromming zelf geen substantie heeft, is haar ‘tedere interval’ de generatieve bron van alle dingen. Het is misschien geen toeval dat Peri aan zijn schilderijen begint door krommingen te tekenen, in plaats van rechte lijnen.

Taal hoeft immers geen mes te zijn dat het vlees van de werkelijkheid splijt. Het kan ook een stem zijn die het oneindige samenspel van identiteiten regisseert, nu hier en dan daar. Als de fee van Pinoccio met het blauwe haar kan de grenslijn van onderscheiden een welwillende moeder zijn, die haar kinderen met de lichtste aanraking leert wat hun oneindige mogelijkheden zijn.

Grens, lijnen, de sneden en onderscheiden waarmee we onze wereld structureren, hoeven geen wapens te zijn voor het disciplineren van degenen die niet in hun veronderstelde identiteit passen. Een grens is in essentie een drempel waarop elk onderscheid smelt; als de pop van een insect waarin elke reiziger vloeibaar wordt en elke gewenste vorm kan aannemen. Het is de plaats waar tweedimensionale ideeën over de werkelijkheid zich plotseling kunnen uitbreiden tot de drie dimensies van wat er onder de onderscheiden van taal ligt.

Grenzen kunnen, zoals in Peri’s werk, ruimtes van niet-zeggen zijn (apofasis, geliefd bij mystici), waar de menselijke taal stilvalt. In plaats van plekken waar zelfs mensen worden gecatalogiseerd en gesegregeerd, kunnen ze momenten van vrij verhalende vondsten zijn. Momenten waarop de reiziger ronddrijft in de zwenking die het universum leven geeft en een nieuw leven voor zichzelf bedenkt. Waarop personen of voorwerpen, net als in de tekeningen van Peri, slechts een bepaalde vorm hebben totdat ze plotseling, op een manier die schijnbaar onmogelijk is, omslaan en hun eigen tegenpool worden.

In de werken van Peri krijgen deze metafysische bewegingen van de geest een betoverende reeks visuele kledingstukken. De lijnen die Peri trekt, verzetten zich tegen elke notie dat de onderscheiden die zij produceren een vaste realiteit zouden kunnen bezitten. In plaats daarvan suggereren ze een hoger niveau, boven elk onderscheid uit, dat tussen de elementen van de compositie zweeft. Tussen de zwarte achtergrond die de lijnen omhoog houdt en de kruisen die orde in het hele werk scheppen. Op het moment dat een vorm uit de ketenen van de wet van niet-tegenstrijdigheid breekt. Op het moment, oneindig herhaald, dat de zwarte nacht tegelijkertijd een zon is.

Aan de andere kant van Peri’s werk, hier in de levens van ons als toeschouwers, lijkt deze inventieve vrijheid van de lijn vaak versluierd, bijna onzichtbaar. Hier lijken de scheidingen tussen verleden, heden en toekomst, tussen grondgebieden of tussen dingen, vaste, onwrikbare, natuurlijke grenzen te zijn. Toch is dezelfde inventiviteit van de grenslijn die we bij Peri vinden nog steeds aanwezig – hoewel vaak slapend – ook binnen de grenzen die onze eigen maatschappij trekt. Om ze te laten ontwaken, is een verschuiving in ons eigen perspectief op de wereld nodig. Een nieuwe kromming in ons begrip, een aanval van mystiek gelach op de pretenties van de menselijke taal. Totdat de grenzen van deze wereld hun onverbiddelijkheid verliezen en, net als de krommingen van Peter Peri, degenen die ze passeren de vrijheid geven om zichzelf opnieuw uit te vinden.

- Federico Campagna, philosopher and writer.