Szabolcs Bozó

Busójárás (Carnival)


Download

Wonderbaarlijke wezens bevolken de schilderijen van Bozó. Een indrukwekkende optocht van monsters en geesten betovert en verontrust de toeschouwer door met heldere ogen te staren of scherpe tanden te ontbloten. Van de Krampus tot een slakkengod, veel van Bozó’s schepsels zijn gebaseerd op de rijke, folkloristische mythologie en traditie van Hongarije, het thuisland van de kunstenaar. De levendige beelden bij deze verhalen werden voor Bozó versterkt doordat hij opgroeide in het Hongarije van de late jaren 1990 en de eerste jaren van deze eeuw, toen animatiestudio’s in opkomst waren en tekenfilms in het land tot bloei kwamen nadat het communisme in 1989 ten val was gekomen. Deze tekenfilms, en vooral die van de beroemde naoorlogse studio Pannónia, hebben de esthetiek van Bozó indirect beïnvloed.

Bozó, die opgroeide in de stad Pécs, raakte al vroeg vertrouwd met het Busójárás-festival, dat jaarlijks in het nabijgelegen Mohács wordt gevierd voordat de Vastentijd begint. Net als carnaval markeert Busójárás het verjagen van het winterseizoen door uitbundig gekostumeerde stoeten met woeste maskers die door de straten marcheren, zwaaiend met lawaaimakers en reagerend op de menigte. Bozó baseert zich op de iconografie van deze traditionele kostuums en vindt deze opnieuw uit in zijn extravagante doeken. A Kereplő Orrszarvú (De neushoorn met klepper) (2021) bijvoorbeeld beeldt de duivelsmaskers die de gemaskerde figuren dragen uit als een ondeugend groen beest met een karakteristieke lawaaimaker in een van zijn klauwen. De gesturale penseelstreken waarmee het monster is geschilderd en de willekeurige markeringen en verfdruppels die de achtergrond van het werk als hiëroglyfen bevlekken, zinspelen op affiniteit met de naoorlogse avant-garde, met name het abstract expressionisme. Tegelijkertijd lijken de ondeugende ogen te verwijzen naar de grafische gevoeligheden van straatkunstenaars in de jaren 1980.

Een centraal werk van de tentoonstelling is A Krampusz Ölelése (De omhelzing van de Krampus) (2021), een meerdelig werk dat aan een centrale zuil in de tentoonstellingsruimte van de galerie zal hangen. Dit werk, dat uit veertien verschillende doeken bestaat, toont een grijnzend wezen dat zich om de zuil wikkelt. De Krampus, een van de meest bekende figuren in de Hongaarse folklore, is een duivelachtig wezen dat in de eerste weken van december verschijnt om stoute kinderen bang te maken. In de versie van Bozó lijkt het samengestelde wezen wat vriendelijker te zijn, hoewel de tientallen puntige, scherpe tanden de toeschouwer doen aarzelen over het accepteren van zijn omhelzing. Deze sluwe humor is fundamenteel voor het werk van Bozó, waarbij de toeschouwer zich afvraagt of raadselachtige glimlach van de personages wel vertrouwd kan worden.

Een ander tentoongesteld werk is A Csigák Istene (De slakkengod) (2021), een van meerdere doeken die niet één wezen uitbeelden, maar een menigte van tekenfilmachtige dieren die samen lijken te bewegen in de geest van een carnavaleske processie. Aan het hoofd van deze warboel van beesten staat de buitenmaatse slak waarnaar de titel verwijst. Bozó heeft hem een bolle rode neus gegeven, scherpe klauwen en die onderscheidende grijns, terwijl hij op zijn rug – in plaats van een slakkenhuis – een troep wilde dieren draagt die bijna, maar niet helemaal herkenbaar zijn. Zo zien we onder andere een tweekoppige muis, een bezorgd kijkende flamingo, een blauw vosachtig wezen en een veelogig beest van onbekende aard. Een wemelende, fantasierijke jungle die zowel het doek als de verbeelding van de toeschouwer vult.

– Jessica Holmes, writer and critic