Aaron Curry

White Out


Download

Skype-interview met Aaron Curry, afgenomen door Julie Boukobza op 23 mei 2012

Hoe hebt u uw eerste tentoonstelling in de galerie in Brussel aangepakt?

Enkele maanden geleden kwam ik naar de galerie kijken en maakte ik schetsen om de ruimte in mijn vingers te krijgen. In mijn laatste tentoonstellingen speelde ik met een vaag idee van abstractie: ik ‘camoufleerde de ruimte’ met behulp van patronen die ik op de computer had samengesteld. Ik bedekte de wanden en de sculpturen met hetzelfde patroon, zodat de vormen vanuit bepaalde gezichtshoeken verdwijnen en alleszins veranderen als je eromheen wandelt. Voor deze tentoonstelling wilde ik werken met wat er al was – de witte muren. De sculpturen en de muurcreaties in de grote zaal zijn volledig wit.

Klopt het dat u op deze tentoonstelling een duidelijk onderscheid wilt maken tussen handgemaakte en machinaal gefabriceerde kunstwerken?

Er is een verschil, maar het is niet zo groot als het lijkt. Eerst maakte ik maquettes, met een figuurzaag. Dat waren in zekere zin mijn schetsen. Die werden dan gescand, uitvergroot en omgewerkt tot metalen sculpturen. Het is dan alsof de daad van het zagen twaalf of vijftien keer wordt vergroot. Het resultaat is in mijn ogen dus eerder een uitvergroting van het handgemaakte. De oorspronkelijke daad wordt bemiddeld, maar het voelt nog altijd heel fysiek. Dat laatste wordt zelfs nog versterkt. Het is alsof je een gitaar verbindt met een versterker om ze luider te doen klinken. Voor mij werken deze creaties op precies dezelfde manier.

Ze zeggen dat je vaak van de ene naar de andere dimensie springt, dat de scheidingslijn tussen twee- en driedimensionaal heel dun is. Hoe verklaar je dat?

Ik begon als schilder. Toen ik sculpturen ging maken, zagen die er dan ook uit als knoeischilderijen die van de muur dreigden te vallen. Hoe meer ze de ruimte in tuimelden, des te meer besefte ik dat hun onhandigheid me aanstond, dat de ruimte waarin ze vertoefden op de grens van het twee- en het driedimensionale balanceerde, dat die ruimte iets onbepaalds had. Ik ben niet opgegroeid met kunst en heb mijn inzicht in schilder- en beeldhouwkunst uit boeken moeten halen. Ik heb dus naar kunst leren kijken op het platte vlak van boeken, albums en computerschermen. Daardoor waren de dingen niet wat ze waren: ik werd geconfronteerd met ‘illusie’ en dat vond ik fijn. In mijn werk ga ik op zoek naar een ruimte die noch echt twee- noch echt driedimensionaal is. Ik denk dat ik mijn schilderijen de driedimensionale ruimte in wil duwen en omgekeerd mijn sculpturen wil doen verdwijnen in het vlak van de muren rondom.

Gaat u in uw werk op een bewuste wijze om met ‘digitaal’ en ‘analoog’?

Dat weet ik niet zo goed. ‘Analoog’ doet mij denken aan muziek, want ik ben ooit muzikant geweest en begrijp het verschil dus van daaruit. Eigenlijk weet ik niet hoe je dat begrip kunt toepassen op het maken van kunstwerken. Als het in de muziek om analoog gaat, is er altijd een relatie tot de tijd, bijvoorbeeld als je iets opneemt, ongeacht of het gaat om een lus dan wel om iets wat altijd vooruitgaat. Je kunt het knippen of splitsen, maar dat vraagt gewoonlijk veel tijd en het heeft iets onbeholpens. Digitaal kun je veel gemakkelijker en sneller knippen en plakken. Dat is eigen aan het digitale, en dat vind ik boeiend. Misschien heb ik wel heimwee naar een analoge benadering van de werkelijkheid omdat ik daarmee ben opgegroeid. Daarom is het analoge voor mij natuurlijker, maar het digitale is veel opwindender!

Hoe ga je dan concreet te werk?

Zoals ik daarnet zei. Zo werk ik ook wanneer ik een fysiek beeld maak. Ik heb twee ateliers, één voor houtbewerking, waar ik aan mijn beelden werk, en een om te schilderen, bij mij thuis. Ik maak vaak foto’s van het beeld dat ik aan het maken ben en bewerk het resultaat thuis dan digitaal met behulp van een tekentablet. Dat geeft me de nodige vrijheid om na te denken en toch snel te handelen. De volgende dag kan ik die wijzigingen dan in mijn andere atelier in werkelijkheid omzetten, als ik dat wil. Ik vind het leuk om nu naar jou op het scherm te kijken terwijl er achter het skypevenster andere programma’s en vensters openstaan. Dat heeft veel weg van een kubistische opvatting van de ruimte: sleep ik een bepaald beeld boven een ander programma, dan verandert het scherm of het venster. En zo kun je honderden beelden tegelijk met elkaar vermengen.

Of ze nu op een rijdend plateau staan of niet, jouw beelden lijken altijd in beweging, zoals ‘De man die loopt’ van Giacometti of ‘Devil fish’ van Calder, alsof ze ergens heen willen. Waarheen?

Ik vind het leuk dat beelden gewoon lijken te zitten terwijl ze veranderen als je dichterbij komt of eromheen loopt. De beweging komt dus van de interactie. En ik vind het leuk er een vorm van beweging in te leggen, of het gevoel dat ze gaan bewegen of verplaatst kunnen worden. Dat vind ik even boeiend als doen balanceren: als je een beeld maakt dat lijkt te zullen vallen omdat het uit evenwicht raakt, krijgt het door zijn gewicht en zijn vorm een inherente beweging mee.

Is ‘Californië versus Texas’ een bestanddeel van jou werk? Werkt die tegenstelling verhelderend voor wie het wil begrijpen?

Er was die tentoonstelling in de David Kordansky Gallery in Los Angeles, samen met Richard Hawkins, een goede vriend van mij, ook een Texaan. Ze was sterk beïnvloed door Texas, of liever door het beeld dat men van buitenaf van Texas heeft. We hadden die expositie niet in Texas kunnen opzetten, denk ik, het moest in Los Angeles gebeuren, we hadden die afstand nodig. Maar tegelijk is het waar dat ik ook nu nog bij het zien van werk van Noguchi of David Smith automatisch denk aan dingen die in mijn verleden ergens buiten een boerenschuur werden samengeflanst, of het nu gaat om een draadsculptuur in de tuin van mijn buurman of om een rekwisiet in de tv-show Hee Haw.

Hoe sta jij tegenover collages?

Die zijn voor mij een soort tussenstop. Gewoonlijk maak ik ze als ik een break nodig heb tijdens het schilderen of beeldhouwen en mijzelf de vrijheid gun om even niet te denken of liever, om visueel te denken. Het is ermee zoals met reclamespots die een tv-programma onderbreken. Ach, hoe zal ik het zeggen? Een collage hoeft er niet te ‘staan’ zoals een sculptuur, er is geen echte fysieke interactie, tenzij dat je wat met de beelden aan het schuiven bent. Het beste is nog dat ik honderden collages kan maken en ze ’s avonds allemaal kan weggooien als ik merk dat ze niet oké zijn. Die vrijheid, daar houd ik van.