Ida Tursic & Wilfried Mille

The Weeds


Download

«De muur van uw heerlijk goed wordt als afsluiting in waardigheid gevolgd door uw houten palissade. Daar valt een en ander tegenin te brengen, want dit soort dichte afsluitingen omheint meestal meer grond dan mensen lief is. Wel vindt men daarbinnen aangename parken, goed onderhouden veldpaden, hertenkudden en meer aristocratisch pastoraal fraais, allemaal dingen die op het platteland hun plaats hebben en op geen enkele manier een schande betekenen.»
John Ruskin, The Work of Iron in Nature, Art and Policy (1858), in The Two Paths (1859)

«Misleid door zoveel lichtheid en schijnbare gemakkelijkheid, kijkt het oog aandachtiger toe, onderzoekt keer op keer wat daarvan wel het geheim mag zijn en gaat er helemaal in op – vergeefs: het verliest zich in je toets. Moe gekeken maar hunkerend naar nog meer genot, neemt het afstand, komt weer dichterbij en kan zich ten slotte slechts aan het schilderij onttrekken door zichzelf te beloven dat het zal weerkeren.»
Louis-Guillaume Baillet de Saint-Julien, Caractères des peintres français actuellement vivants, Amsterdam, 1755.

26e Dragonders

Wilde bloemen overwoekeren de ruimte rond het atelier in de voormalige kazerne van het 26e regiment dragonders in Dijon. De bewoners moesten de plek verlaten en een nieuw onderkomen zoeken. Dat hebben ze gevonden in de opslagruimtes van een oude touwslagerij langs een bochtige weg ergens in Bourgondië, vlak bij een rivier. I&W, de «dubbelschilder», woont nu in Dijon en werkt in Diénay. ’s Ochtends ziet hij hinden met een sprong de weg oversteken, ’s avonds, op de terugweg, let hij op voor vader en moeder everzwijn die samen met hun kleintjes onverwacht de rijweg kruisen. Tussen beide ogenblikken in heerst oppermachtig de schilderkunst.

Wild te keer gaan in Diénay

Toen men eind jaren zeventig scenario's begon te schrijven voor erotisch-pornografische films die zich afspelen in de natuur, was dat wellicht een manier om aan te knopen bij verloren dromen, jeugdidealen en communautaire utopieën én bij een aantal vroege, verbeelding prikkelende 'noordse' films. Sommige taferelen hadden een hoog onwerkelijkheidsgehalte: wezenloos wild, versufte eekhoorns en geboeide herten kijken toe op uiterst wufte of sterk geritualiseerde stoeipartijen. Misschien gaat achter de witte rasters en de regenboogkleurige weerspiegelingen van de doeken van I&W zo’n beeld van zorgeloosheid schuil. Misschien. Soms. Duidelijk is het niet. De kijker blijft gefrustreerd achter. Wat verhelen deze doeken? Moeten we dat wel uitzoeken? Staan we niet voor abstracte werken? Wat is er in godsnaam te zien?

«Er zullen meisjes en landschappen te zien zijn»

«Er zullen meisjes en landschappen te zien zijn», is het eerste wat ik over deze tentoonstelling hoorde zeggen. Behalve meisjes en landschappen zijn er ook dieren te zien of te ontwaren, en dingen die vanzelf groeien, zoals onkruid. Wat heeft deze bescheiden dramaturgie te betekenen? Geen antwoord. Of: dat het op de schilderkunst als zodanig aankomt. Er zijn gerasterde, metaalachtige, schijnbaar grijze beelden met verborgen geheimen. En er zijn wilde bloempjes en dit keer goed zichtbare meisjes. Een van hen zit naakt op een stuk hout spaghetti (of zijn hetlinguine?) al nero di seppia te schrokken; de inkt van het dier bezoedelt haar glimlach. Achter haar zien we een goedkoop idyllisch landschapje zoals je dat aantreft in ordinaire eethuisjes (hé, even opnieuw naar de Mona Lisa kijken!). De twee andere, geaquarelleerde meisjes zijn uit magazines gescheurd en kijken star naar ons en naar de gerasterde doeken. I&W is niet alleen geboeid door pornografie, erotiek, iconen, decoratieve effecten en optische illusies. Er zit duidelijk meer achter zijn werk.

Bourgondische nostalgie

Door een glaswand in het nieuwe atelier kijken eekhoorns naar de kunstenaars die hun eerste tentoonstelling in de Almine Rech Gallery in Brussel voorbereiden. De sfeer in dit rijk van de schilderkunst lijkt in tegenspraak met die de schilderijen van I&W – het visuele botst met het mentale, de inhoud staat los van wat hem omvat. Misschien herinneren de kunstenaars zich dat in Diénay ooit een diepgravend artistiek dispuut plaatsvond. In de herfst van 1890 bracht Edgar Degas in Diénay een bezoek aan Georges Jeannot, een bevriend graveur. Hij maakte er zijn eerste monotypes, op basis van wat hij zich herinnerde van de landschappen die tijdens zijn treinrit aan zijn oog waren voorbijgegleden. Toen de schrijver Ludovic Halévy de monotypes zag, drukte hij tegenover Degas zijn bewondering uit voor die schitterende ‘gemoedstoestanden». ‘Gemoedstoestanden? Niks gemoedstoestanden», foeterde Degas, ‘je hebt er niks van begrepen. Laat dat verheven taaltje maar! Het gaat hier alleen om “oogtoestanden»!

Mysterieuze oogsnoepjes

De werken van Ida Tursic en Wilfried Mille zijn bedrieglijke beelden, valstrikken van zuivere schilderkunst. Hier wordt een beknopt overzicht geboden van de ruime mogelijkheden en de onweerstaanbare aantrekkingskracht van het medium. Het onderwerp is belangrijk én verdwijnt naar de achtergrond. De kijker wordt nu eens betoverd door een blik, dan weer door een textuur. Hier komt een mysterie aan de oppervlakte, daar wordt de inkijk verstoord door een dikke klad verf. Alles is schilderkunst, maar niets is dat toevallig: een pagina die uit een magazine is gescheurd, de met verf bedekte en daarna verbrande reproductie van een plaat, een natuurbeeld, een erotisch beeld, een landschap in het beeld, een palissade... Aan ieder van ons om de goede oogtoestand te vinden en binnen te dringen in de beelden, in deze mysterieuze snoepjes vol wildheid, erotiek en nostalgische spot. Kunstenaar en bezoeker genieten – van het scheppen en van het kijken.

Gemoedstoestanden, gemoedstoestanden? Het gaat hier alleen om oogtoestanden!

Jean-Marie Gallais